Blog

Onderstaand overzicht blog-items.

Categorieën




Algemeen


Journalistieke juweeltjes volgens freelancer Femke van Zeijl

31-10-2010

Freelance journalisten die zelf een boek schreven én in het nieuws waren, vertellen exclusief voor de FLA welke boeken hén inspireerden. In de tweede aflevering van Journalistieke Juweeltjes: Femke van Zeijl. Afgelopen week kwam haar tweede boek over Afrika uit: Gin-tonic & cholera
1. Telling True Stories, A Nonfiction Writers' Guide

Helemaal klem zat ik bij het schrijven van het eerste hoofdstuk van mijn boek Gin-tonic & cholera over het stadsleven in Afrika. En ik wist niet waarom. De verhalen van de mensen die ik had ontmoet in Bukavu, Oost-Congo hadden diepte en de verwikkelingen vaart genoeg, maar ik kon er geen leesbaar geheel van brouwen.
Telling True Stories heeft me toen uit het grootste writers' block in mijn leven geholpen. In dit boek doen gelauwerde Amerikaanse non-fictieschrijvers hun manier van werken uit de doeken. Het boek is een aaneenschakeling van masterclasses voor de non-fictieschrijver van auteurs als Adam Hochschild en Adrian Nicole LeBlanc.

Niet alle persoonlijke strategieën uit het boek zijn voor iedereen werkbaar. De schrijver die zijn synopsis in vergroting aan de wand hing, om er dan vanaf de andere kant van de kamer met een verrekijker naar te turen om er zo 'een andere blik' op te werpen, zal ik niet navolgen. Al was het alleen maar omdat mijn studeerkamer te klein is voor dat soort fratsen.

Maar lezend in het boek ontwikkelde ik mijn eigen schrijfstrategie. Het besef groeide dat ik structuur, karakterontwikkeling, spanningsboog en plot veel uitgebreider in de verf moest zetten voordat ik mijn tekstverwerker ook maar aan zette. Zo ben ik opnieuw begonnen aan het eerste hoofdstuk. Eerst een week puzzelen met briefjes: blauw voor thema's en subthema's, groen voor locatie, geel voor interview of gebeurtenis en nog veel meer. Uiteindelijk resultaat: een schema van twee A4tjes die als een kleurige plattegrond aan mijn muur hing. Daarna leek het hoofdstuk zichzelf te schrijven.

2. De Afrikaanse boeken van Lieve Joris

Ik heb twee favoriete Afrikaschrijvers, en eentje - Kapuściński - is niet meer onder ons. De andere is Lieve Joris. Op de middelbare school las ik Terug naar Congo. Joris trekt daarin door het toenmalige Zaïre, in het spoor van haar heeroom zaliger, de missionaris. Ik was nog nooit buiten Europa geweest, maar wel vastbesloten journalist te worden. In je eentje verhalen schrijven in spannende landen leek me de ultieme levensvervulling.

Op mijn eerste reportagereis in Afrika, acht jaar geleden, zat ze in mijn rugzak. In het meest noordelijke puntje van Mozambique bladerde ik in Mali Blues, klotsend achterop een pickup van Pemba naar Montepuez. Inmiddels zelf journalist, waardeerde ik toen pas de doeltreffendheid waarmee Joris situaties en mensen beschrijft.

Dans van de luipaard, over de nadagen van Mobutu, kan ik dromen. Toen ik het laatst weer eens herlas, herkende ik ineens de instrumenten die Joris leent uit de gereedschapskist van de literatuur. Het gemak waarmee ze die gereedschappen hanteert zonder de journalistieke inhoud geweld aan te doen, is het kenmerk van de ware literaire journalist.

3. The Zanzibar Chest, Aidan Hartley

Gemengde gevoelens heb ik over The Zanzibar Chest van de blanke Keniaanse journalist Aidan Hartley. Dat komt ook doordat hij indringend de ambivalentie beschrijft van de journalist die in Afrika verslag doet van de gruwelen van oorlog en geweld - en plezier beleeft in zijn werk. Een dubbelhartigheid die ik herken, ook al stort ik me bij lange na niet in dezelfde ellende op het continent als hij jarenlang deed.

Hartley was Reuters-correspondent in Afrika in de jaren negentig. Hij trok met het Tutsi-leger op naar Kigali na de genocide in 1992 en trof er rottende lijken aan in latrines en ontbindende families in hun huiskamers. Hij was daarna getuige van de cholera-epidemie onder de Hutu's in de vluchtelingenkampen net over de Congolese grens en zag in Somalië hoe 'een heel volk zich met overtuiging in het ravijn stortte'. Altijd was hij op zoek naar 'een oorlog die hij de zijne kon noemen'. Hartley beschrijft de kleinzielige ijdelheden van het correspondentencorps en de grote vriendschappen die ontstaan als de kogels je om de oren vliegen.

De tol die hij uiteindelijk betaalt, is hoog: hij belandt in een diepe depressie en stapt uiteindelijk uit de brandhaardenjournalistiek. Hartley woont nu in een boerderij op het platteland van Kenia en schrijft vooral over de bedreigde natuur in zijn vaderland.

Zijn relaas over de journalistieke praktijk is doorweven met de zoektocht naar de geschiedenis van een vriend van Hartleys vader. Maar dat deel van The Zanzibar Chest is niet de reden dat ik het steeds weer uit de boekenkast pak.

Het is vooral de openheid waarmee hij de morele dilemma's van de ambitieuze journalist in een crisisgebied uiteenzet en de eerlijkheid waarmee hij het correspondentenleger van adrenalineridders beschrijft dat van oorlog naar oorlog trekt. Een journalist moet altijd zijn eigen rol blijven evalueren. Aidan Hartley legt  die verantwoording in dit boek af – en komt bij tijd en wijle tot de conclusie dat we het anders moeten doen.
FEMKE VAN ZEIJL is freelance journalist, onder andere voor NRC Handelsblad, NRC Next en Vrij Nederland. Deze maand kwam haar boek uit over urbanisatie in Afrika, Gin-tonic & cholera. Ze woonde de afgelopen jaren afwisselend in Utrecht en in zes verschillende Afrikaanse steden.
De eerste aflevering in deze serie, die werd geschreven door Bette Dam, kun je hier teruglezen.

Journalistieke Juweeltjes volgens freelancer Bette Dam

04-06-2010




Freelance journalisten die zelf een boek schreven én in het nieuws waren, vertellen exclusief voor de FLA welke boeken hén inspireerden. In de eerste aflevering van Journalistieke Juweeltjes: Bette Dam, freelance journalist gespecialiseerd in Afghanistan.


Een boek is een journalistieke uitkomst. Een bron hoeft niet overgeslagen te worden omdat de deadline nadert (al moet je de darlings killen), het verhaal hoeft niet korter om in de kolommen te passen. Je hebt de tijd en de ruimte. En dat resulteert in veroveringen in de journalistiek. Door de Amerikaan STEVE COLL bijvoorbeeld.

Coll werkte wel op de redactie van de Washington Post, maar door al zijn ervaringen in Afghanistan sinds de jaren tachtig, wist hij een top-boek te ontwerpen: Ghost Wars, the secret history of the CIA, Afghanistan, and Bin Laden, from the Soviet Invasion tot September 10 (uitgeverij Penguin, 2001). Het was voor mij een Bijbel, als debutante in de non-fictie boekschrijverij. Het heeft niet alleen de omvang van het religieuze boek, maar het hield me ook voortdurend voor hoe ik journalistiek moet bedrijven. Zoals wel vaker met deze iconen van journalisten barst het van de bronnen. Bij het omslaan van elke pagina zat ik in spanning te lezen of hij daar ook de key-witnsesses had gesproken. En ik ben niet vaak teleurgesteld. Hij weet wat de gedachtengang is op de ministeries, bij de geheime diensten. Alsof hij daar is aangeschoven en hun werk moeiteloos kon beoordelen (het was overigens ook het boek dat Obama las in zijn laatste uren als niet-president). 

Onlangs kwam Coll overigens met een boek over een onderwerp dat al vaak door m'n hoofd was geschoten: De Bin Ladens (uitgeverij Mouria, de Nederlandse vertaling, 2008). Prachtig boek, waarbij door lange gesprekken met de betrokken familieleden (nee, niet Osama himself helaas) een nieuw, opzienbarend beeld neerzet (en soms bevestigd) van gewone, soms puisant rijke en in Amerika geïntegreerde familieleden. Waarvan velen ook schrokken van 09/11.
Het mooie is dat Coll ook zoveel mogelijk de plekken heeft bezocht die hij beschrijft. De moeite die hij er in heeft gestoken – met de luxe van allerlei assistent-journalisten (wauw) - kon hij een compleet beeld schetsen.

Jongens die ook een belangrijk, geloofwaardig en beslissend netwerk hadden en de tijd namen om het verhaal te begrijpen, zijn FRANK WESTERMAN en BART RIJS geweest. Rijs heeft overigens inmiddels de opmerkelijke overstap naar het woordvoerderschap gemaakt. Toen ik hem in die hoedanigheid aan de telefoon kreeg, schrok ik. Hoe kon zo’n iemand met zo’n goed boek, het vak verlaten. Stilletjes hoop ik dat hij infiltreert bij zijn nieuwe werkgever, het ministerie van Buitenlandse Zaken. En er een boek over schrijft. Maar goed.
Van hen is Srebrenica, het Zwartste Scenario (uitgeverij Atlas, 1999). En het gaat over wat Saigon was voor de VS. Ik heb nooit helemaal spits gehad, zoals militairen zouden zeggen, over wat daar is gebeurd, maar daar heeft dit boek verandering in gebracht. Als schrijver van non-fictie kijk ik ook naar de techniek van het verwerken van de informatie. Coll gebruikt quotes, voetnoten (waar ik aantekeningen van maak voor mijn eigen werk), de verleden tijd en laat zijn getuigen dus terug kijken naar toen. Westerman/Rijs doen meer waar ik ook voor heb gekozen: eerst documenten en informatie verzamelen en het aan elkaar knopen, in de tijd schrijven, het reduceren van de quotes, waardoor het een lopend verhaal wordt. Ook zij verlieten hun bureaustoel in Nederland om alles van dichtbij te kunnen zien. En dus beschrijven. Een thriller, in hun geval.

LINDA POLMAN hoort ook thuis in dit rijtje. Het harde werken heeft tot twee veroveringen geleid: 'k Zag Twee Beren (uitgeverij Atlas, later Rozenberg Publishers, 2002) en De Crisiskaravaan (uitgeverij Balans, 2008). Beide een must voor elke student op de school van journalistiek. VN-missies zie je nooit meer hetzelfde na het lezen van 'K Zag Twee Beren en – dat is ook prachtig aan een goed boek – je leest de krantenartikelen ook kritischer nadat je dit heb verorberd.
Met de Crisiskaravaan heeft ze een ander onderwerp te pakken dat actueel blijft: de hulpverleningswereld. In de ‘normale’ journalistiek, de snelle jongens onder ons, is er geen tijd voor dit soort doorwrochte analyses die uiteindelijk een kraakhelder beeld achterlaten.  Elk conflict waar de NGO’s en VN’ers invliegen zou verslagen moeten worden door journalisten die met deze boeken onder hun arm lopen.

Voor de lezer die denkt: ik krijg het benauwd van een boek schrijven (wat ik niet snap, overigens), probeer es een stuk te slijten van twaalf pagina’s zoals MATTHIEU ALKINS deed in de Harpers’ Bazaar: The Master of Spin Boldak: Undercover with Afghanistan’s drug-trafficking border police. Deze jongen – een top-freelancer – heeft zich mee laten voeren met de drugsjongens in het gevaarlijke zuiden van Afghanistan, goed zijn research gedaan en legt en passant Afghanistan even uit. Briljant. Waar mijn oog wel over viel was dat hij zich stil heeft gehouden over zijn journalist-zijn toen hij de grens van Afghanistan over ging. Hij heeft ongezien jan en alleman kunnen spreken, maar in hoeverre is dat fair naar je bronnen toe?

BETTE DAM is freelance journalist, onder andere voor Vrij Nederland en de Wereldomroep. Ze publiceerde in augustus 2009 het boek 'Expeditie Uruzgan', de weg van Hamid Karzai naar het paleis (uitgeverij Arbeiderspers). Het boek is twee keer genomineerd: voor de Bob den Uyl-prijs en de Dick Scherpenzeel-prijs. Bij de uitreiking van de Dick Scherpenzeel-prijs, vorige week, maakte Bette zich hard voor onafhankelijke journalistiek.