1. De uitgevers
De geschiedenis gaat terug tot 2003, toen de dagbladuitgevers tot een overeenkomst kwamen met drie commerciële knipseldiensten. De overeenkomst, tot stand gekomen onder druk van een rechtszaak, hield in dat de knipseldiensten hun activiteiten konden voortzetten tegen betaling van een vergoeding per knipsel aan de uitgevers. De financiële verwachtingen waren hoog gespannen. In het eerste jaar zou de incasso ongeveer 1 tot 1.5 miljoen euro bedragen, daarna veel meer, omdat overeenkomsten met andere knipseldiensten zouden volgen. Intussen zijn er inderdaad veel meer overeenkomsten, maar de inkomsten vallen tegen.
De uitgevers hadden al eerder voor de collectieve administratie van hun rechten de stichting PRO opgericht (Publicatie- en Reproductierechten Organisatie) die bijvoorbeeld het uitgeversdeel van de leenrechtvergoedingen verdeelt. De uitvoering van de knipseldienstenregeling is ook in handen van PRO gegeven en wel van een sectie CLIP (Copyright Licentie- en Incassobureau PRO). CLIP blijkt aan de onderkant van de markt te zitten. De totale markt wordt op € 12 miljoen per jaar geschat, maar daarvan haalt CLIP slechts een paar miljoen per jaar binnen. De ministeries hebben een eigen overeenkomst met de dagbladuitgevers gesloten, het Financieel Dagblad regelt zijn zaken zelf, Lexisnexis is een concurrent.
2. De freelancers
De overeenkomst tussen de uitgevers en de knipseldiensten is gebaseerd op inbreuk op het auteursrecht van degenen die ‘geknipt' worden. De uitgevers hebben als werkgever het auteursrecht van degenen die bij hen in loondienst zijn. Zij hebben ook de rechten van de freelancers die toestemming hebben gegeven voor dit hergebruik (‘getekend' hebben). Een flink deel van de geïncasseerde gelden is dus voor de uitgevers bestemd.
De rechten van de freelancers die niet ‘getekend' hebben, hebben de uitgevers niet. Volgens de uitgevers gaat het daarbij om ongeveer 5% van de freelancers die voor dagbladen schrijven en om ongeveer 50% van degenen die voor tijdschriften schrijven. Een ander deel van de gelden moet dus doorgegeven worden aan deze freelancers. De uitgevers weigeren zelf als doorgeefluik op te treden. CLIP keerde die gelden aanvankelijk uit via de door de NVJ opgerichte Stichting Nieuwswaarde. De afgelopen jaren heeft Nieuwswaarde samen met de FLA onderhandeld met CLIP over de verdeling van de door CLIP geïncasseerde gelden en het aandeel van de freelance journalisten daarin - de NVJ liet zich door Nieuwswaarde vertegenwoordigen. Uiteindelijk is in december 2007 een overeenkomst getekend tussen CLIP, Nieuwswaarde mede namens de NVJ en de FLA. Begin 2009 is Nieuwswaarde opgegaan in Stichting Lira. Clip keert nu aan Lira uit.
3. Problemen
Het grootste probleem aan de kant van de freelancers is nog steeds de vraag hoe het bedrag dat CLIP beschikbaar stelt verdeeld moet worden. Titelspecifieke informatie ontbreekt namelijk tot dusver. Nieuwswaarde vond dat individueel gereparteerd moest worden, en dat het geld dus niet in een potje met een collectieve bestemming moest komen. Daar was de FLA het helemaal mee eens.
Maar individuele repartitie is alleen mogelijk als althans de auteursnamen bekend zijn. En dat is nog steeds niet het geval. De knipseldiensten en anderen van wie betalingen ontvangen worden leveren thans wel de auteursnamen aan. Maar de auteursnaam zou niet altijd vermeld worden bij de bijdrage. En de uitgevers beweren dat als zij meer titels uitgeven zij niet altijd in hun administratie de freelancers per titel geregistreerd hebben en zelfs dat ze in hun administratie niet kunnen zien of een freelancer journalist, fotograaf of nog iets anders is. Zij beweren dus dat zij geen auteursnamen kunnen aanleveren. Overigens heeft PCM wel auteursnamen doorgegeven.
Dat betekent dat voor een individuele repartitie de noodzakelijke gegevens ontbreken. In 2008 is daarom als tijdelijke oplossing gereparteerd in de vorm van opcenten op de uitkering van de reprogelden. Dat is uiteraard een volkomen forfaitair systeem. Maar het was van groot belang dat eens een betaling plaatsvond, zodat ook een indruk gekregen kan worden om welke bedragen het gaat - op dit ogenblik om een paar ton per jaar - en vastgesteld kan worden of het sop de kool waard is. Blijvend zou dit systeem natuurlijk niet kunnen zijn, maar de verwachting is dat op termijn wel degelijk voldoende gegevens beschikbaar komen om rechtstreeks aan de rechthebbenden te kunnen reparteren. Hoe Stichting Lira de repartitie in 2009 de repartitie gaat realiseren, is op dit ogenblik nog niet bekend.
Marijke Reinsma, oktober 2009