door Linda Polman
Ik hou van papier. Ik begon papier te eten toen ik nog geen drie jaar oud was en ben daar pas recent mee opgehouden. Ik hield van het gevoel van een stukje papier dat langzaam zacht werd en wegsmolt op mijn tong. Mijn moeder en mijn zuster werden er gek van: giro-afschriften, schoolboeken, telefoonboeken, altijd waren er hoekjes af, soms met cruciale stukjes tekst erop.
Ik hou ook van reizen. Mijn vader vloog voor de KLM. Hij overleed toen ik nog jong was, maar als ‘KLM-wees’ kon ik, zolang ik naar school ging of studeerde, tickets kopen voor maar vijf procent van de prijs. Als 16-jarige kon ik dus al de wereld over voor wat ik verdiende met mijn zaterdagbaantje bij de supermarkt. Voor 25 (toen nog) gulden ging ik bijvoorbeeld voor een long weekend naar Jakarta en voor nog minder ging ik even rondkijken in Sri Lanka.
New York, Curaçao, Jeruzalem: ik kon het allemaal betalen. En zo raakte ik verslaafd aan over de wereld hoppen met als enige doel: avonturen beleven.
Ik ben eigenlijk nog steeds op mijn gelukkigst als ik ’s ochtends niet weet waar ik ’s avonds zal zijn.
Ik hou ook van schrijven. Terwijl ik een avontuur nog aan het beleven was, kon ik al nauwelijks wachten om het straks allemaal in mijn dagboek op te schrijven.
Wat, dames en heren, kon ik anders worden toen ik later groot werd, dan freelance journalist?
Ik reisde van Nederland overland naar Australië en terug, van Cairo naar Kaapstad, van Nairobi naar Kinshasa, gewoon omdat ik dat wilde. Elke dag beleefde ik avonturen, die schreef ik op in artikelen en boeken, daar at ik dan stukjes van op en ik genoot van elke minuut.
Omdat ik daar zin in had, ben ik naar Somalië gereisd. Omdat ik dat interessant vond, kletste ik me de VN-vredesoperatie daar binnen en omdat ik dat wilde, ben ik drie jaar lang VN-blauwhelmen aan blijven reizen om hun levens mee te beleven. Soms was het hilarisch, soms hartverscheurend en altijd was het interessant.
Op een dag besloot ik dat ik genoeg had gezien en gehoord en dat het tijd was om het allemaal in een boek op te schrijven. Ik ging naar huis trok me terug in mijn kleine ouwe pipo de clown caravan in het bos van Otterlo, op de Veluwe en begon ‘k Zag Twee Beren te schrijven.
Ik vond het nodig om telefoon en televisie de deur uit te doen en om mensen te verbieden bij me op bezoek te komen. Me and my notebooks, dat was het enige wat telde. Ik sliep als ik moe was, at als ik honger had en het interesseerde me geen biet of het dag of nacht was.
Het werd november. Ik was pas bij hoofdstuk 3 toen het buiten begon te sneeuwen.
Ik zette mijn gaskacheltje hoger en schreef door.
Tegen de tijd dat ik aan hoofdstuk 4 begon, groeiden er ijsklompen aan de binnenkant van de caravan. Het gaskacheltje legde het af tegen de strengste winter sinds jaren. Alleen direct voor het kacheltje was het lekker warm. Verder vroor het in de caravan net zo hard als buiten. Toen ik op een ochtend wakker werd en ik met mijn kop aan mijn kussen bleek te zijn vastgevoren, besloot ik daar geen aandacht aan te besteden. Ik belde later die dag mijn moeder vanuit een telefooncel in het bos, vertelde haar schaterend van de vastgevroren kop en ging verder met het enige wat ik belangrijk vond: hoofdstuk 4 afmaken.
Maar dit keer, voor het eerst in mijn freelance bestaan, bleek ik het toch niet helemaal alleen lekker puh wie doet me wat, voor het zeggen te hebben. Diezelfde dag klonk boos geklop op de caravandeur. Ik deed open, staat mijn moeder daar op het trappetje. Was met haar Toyotaatje door de sneeuw helemaal uit Amstelveen naar de Veluwe gereden. Ze stapte mijn grot binnen en sprak: ‘Zo. En nu is het afgelopen met je vastgevroren kop. Het is maar een boek, kind.’ Ze bestudeerde de ijspegels aan het plafond en zei: ‘Dat dacht ik al. Alle ventilatiegaten zijn dichtgevroren. Je lijdt aan zuurstofgebrek. Je bent gek geworden.’ Ik moest mijn spullen pakken en mee naar huis.
Waarom vertel ik u dit allemaal?
Omdat het verhaal in een notedop vertelt wat voor mij freelancen is. De vrijheid om te doen wat ik belangrijk vind. En om dat net zo lang en zo fanatiek te doen als ik nodig vind. Niemand die me tegenhoudt, niemand die zich ermee mag bemoeien.
En als ik aan de vrijheid tenonder dreig te gaan, komt mijn moeder om me te redden.
Het is heerlijk om een freelancer te zijn!
Ik geef dit intrigerend uitziende stokje vandaag met groot plezier door aan een freelancer die ik zeer bewonder. Tjitske Lingsma. Doet ook wat zij nodig vindt. Coverde met gevaar voor eigen leven de strijd van de Oost-Timorezen tegen hun Indonesische overheersers, omdat zij dat belangrijk vond om te doen. Reisde naar de Molukken, zag dat het er oorlog was en besloot dat het nodig was om er een boek over te schrijven. Besteedde acht jaar aan de completering van dat boek, omdat ze vond dat het toen pas echt af was. ‘Het Verdriet van Ambon’ heet het en ze mag er trots op zijn.
En als ze gek wordt van de vrijheid waarvoor ze kiest, mag ze met dit stokje zwaaien en dan beloof ik dat ik kom om haar te halen. Dat kan ik beloven, want ik ben freelancer en niemand kan me tegenhouden.
Tjitske, hoera voor jou en dames en heren: hoera voor de vrijheid!
Amsterdam, 31 mei 2008
« Terug