Lofrede op het freelancen, door Jan Donkers

29-08-2007

Een lofrede op het freelancen... Ja, een echte lofrede heb ik wel in me. Laat ik maar met de mooie dingen beginnen. Het freelancers-bestaan heeft gemaakt dat ik alle delen van de wereld heb gezien, nooit tegen een hogergeplaatste verantwoording heb moeten afleggen, nooit voor langere tijd om half negen op een kantoorstoel heb moeten plaatsnemen om... ja om wat eigenlijk. Zelden werk tegen mijn zin gedaan, vaak mijn hobbies te gelde kunnen maken, hoewel, te gelde, rijk ben ik er niet van geworden al heb ik bijna altijd een stevig dak boven mijn hoofd gehad en voedzaam en smakelijk eten op mijn bord.

Valt er dan nog wat te klagen, vraagt u nu waarschijnlijk. Ja, er valt altijd wel wat te klagen en al zal ik dat niet zo eloquent kunnen als mijn voorgangster, Annemieke Hendriks, wilde ik dat ook doen.

Pas sinds vier jaar ben ik formeel een echte free-lancer, omdat ik er al die tijd een part-time baan bij de VPRO naast had. En ook nu nog blijkt de belasting zoiets in mijn geval ‘ondernemer in de zin der wet zonder BTW verplichting' te noemen. Ik vind alles best, als het maar geen gezeur oplevert. Ik kan slecht tegen gezeur en ben doorgaans een meegaand type, maar of het nu door de leeftijd komt of de geest des tijds, de laatste jaren word ik met regelmaat tot razernij gedreven. Ik ga er enkele voorbeelden van noemen die de meesten van u bekend zullen voorkomen, maar aan het eind wil ik er toch weer een echte lofrede van maken.

Toen het eenmaal duidelijk was dat ik een veelbelovende en overzichtelijke academische carriere aan de Universiteit definitief had ingeruild voor een onzeker bestaan als leverancier van stukjes en radioprogramma's zei mijn vader op een dag tegen me de enige wijze woorden die ik me van hem herinner. ‘Jongen, zorg wel dat je altijd vier poten onder je stoel hebt staan.' Ik voelde dat hij heel erg gelijk had, en probeerde zijn raad zoveel mogelijk op te volgen. Als er een inkomstenpoot onder mijn stoel werd weggezaagd of gewoon wegviel, zorgde ik snel voor een andere. Dat ging jarenlang goed. Ik raakte gewend aan het gezeur over die eindeloze vertraging met betalingen, het leven leek nog zorgelozer en minder duur toen, we redden ons wel. Ik raakte gewend aan de smoezen (‘we konden uw adresgegevens niet vinden', ‘de check is net de deur uit' ‘onze boekhouder is ziek', ‘o maar dat is een heel andere afdeling' en dan noem ik de minst doortrapte.) Natuurlijk bleken er ook bedrijven die keurig en correct betaalden. De kwaliteitskrant waarvoor ik al decennia schrijf betaalt altijd stipt en foutloos, evenals de uitgeverij die drijft op het voetbalblad waarvan ik medewerker werd.

Maar dat waren wel de uitzonderingen. Ook werkte ik jarenlang voor een blad dat uitgegeven werd door een instantie die kinderen in arme landen hielp. Doorgaans wacht ik een maand met reclameren als een rekening nog niet is betaald, en toen ik belde deelde men mij mede dat de uitbetalingen werden uitbesteed aan een bedrijf in Haarlem dat daar ervaring mee heeft. Ik belde naar Haarlem, legde de kwestie uit en kreeg te horen dat dit heel normaal was. Wij hebben namelijk opdracht declaraties eerst zeven weken in de la te leggen voor we ermee aan de slag gaan. Toen ik van mijn verbijstering was bekomen belde ik weer naar de administratie van het blad en deelde mee dat ik van plan was mijn volgende bijdrage zeven weken na de afgesproken deadline in te leveren. Een mild hoongelach was het antwoord. Hoe lang kennen we elkaar nu, Jan, zo kinderachtig gaan we toch niet met elkaar om. Van een echte confrontatie in dezen is het niet gekomen want kort daarop raakte de instantie zo hevig in opspraak dat in de formule van het blad dermate gesnoeid moest worden dat bijdragen van buitenstaanders zoals ik niet meer aan de orde waren.

Een andere onaangename factor die ik in de loop der jaren heb zien verergeren is het toegenomen verloop bij de redacties van bladen en tv- en radioprogramma's. U kent het wel: heb je jaren lang prettig met een redacteur samengewerkt, een die je wel zag zitten en regelmaat garandeerde, vertrekt zo'n mens ergens anders heen en zijn opvolger/ster heeft de nodige vrienden en vriendinnen die bereid zijn hetzelfde werk, kwaliteit doet er niet toe, voor minder geld te doen.

De ergste ervaringen heb ik op dit gebied met een man wiens naam ongenoemd zal blijven maar als ik zeg dat hij ook wel de bladendokter wordt genoemd weet u waarschijnlijk wel over wie ik het heb. Zodra de bladendokter ergens zijn intrede deed, wist ik al dat het afgelopen was met mijn bijdragen en dat ik naar een andere poot onder mijn stoel moest uitkijken. De eerste keer was bij een toonaangevende glossy waaraan ik vijftien jaar vele losse bijdragen en twee vaste rubrieken leverde. Hij ontbied mij en deelde mee (de kamer van zijn voorgangster was nog onveranderd, dezelfde planten stonden er nog, dezelfde kunstwerken hingen aan de muren, blijkbaar was zijn wens mij te verwijderen zo urgent dat alle andere zaken een lagere prioriteit hadden) met onmiddellijke ingang de samenwerking te willen verbreken. Ik zei dat ik na al die jaren toch tenminste wel op een paar maanden overgangsvergoeding recht meende te hebben. Daar dacht de dokter heel anders over. Hij openbaarde zich als een chirurg eerder dan een dokter, en sneed mij met medische precisie sofort weg uit het medewerkersbestand.

Nog even wat die betalingen betreft: de periodieke veranderingen in de regelgeving heeft het de boekhoudingen ook niet makkelijker gemaakt. De belasting vindt eigenlijk free-lancers maar lastige klanten en vermoedelijk ook massale fraudeurs. Jaren geleden kreeg ik eens een aantal dagen lang twee broekemannen van de belastingdienst over de vloer die ‘boekenonderzoek' kwamen doen. Ik zei ze dat ik geen kasboeken en grootboeken had, alleen boeken om te lezen. Ze keken elkaar aan en zuchtten. Na enig overleg werd het ze duidelijk dat ik daartoe ook niet verplicht kon worden, ik meen omdat ik niet ingeschreven was bij de Kamer van Koophandel. Maar waarom bent u dat dan niet? Teveel gezeur, antwoordde ik. Ze keken elkaar opnieuw aan. Het vermoeden van fraude hing nu zwaar als een giftige kolendamp in de lucht van mijn werkkamer. Maar u weet toch dat u verplicht bent tien jaar lang uw boekhouding te bewaren? Ik wist dat en haalde tien enorme enveloppen tevoorschijn, elk met viltstift beschreven met een recent jaartal, en gevuld met alle bonnen, handgeschreven berekingen van inkomsten en verwervingskosten en een kopie van de uiteindelijke jaarlijkse aangifte. Alles keurig en overzichtelijk, en steeds naar volle tevredenheid van mijn belastingadviseur.

Is dat uw boekhouding? vroeg de ene broekeman met overslaande stem. Ze zwegen beiden veelbetekenend. Ze kondigden aan dat het onderzoek in dit geval veel langer zou duren dan geraamd. Ik zei: u doet maar, maar u verspilt uw en ook mijn tijd. Ik heb, in de woorden van een van uw voorgangers, een uitstekende belastingmoraal en er is bij mij geen cent zwart geld te vinden. Ze keken in wat laden, in bank- en giroafschriften en zuchtten opnieuw. Toen namen ze elk vijf van de enveloppen onder hun arm en kondigden aan dat ik binnenkort meer van ze zou horen. Dat gebeurde ook, zoals ik kon verwachten in de vorm van een enorme naheffing die geheel op misverstanden en verkeerde interpretaties bleek te berusten. Ik kondigde aan in beroep te gaan bij de kantonrechter. Er werd een datum vastgesteld. De dag voor de zitting ontving ik een aangetekende brief met de mededeling dat mijn klacht gegrond werd verkaard en dat de zitting kon worden afgeblazen.

Eind goed al goed, dus, maar mijn indruk dat de belastingdienst ons vervelende, lastige mensen vindt die ze het liefst zien verdwijnen is daarmee niet de wereld uit. Ik zal niet ingaan op de papieren rompslomp die elke drie jaar weer door een andere papieren rompslomp procedure vervangen blijkt te moeten worden. Alleen op de laatste uitvinding wil ik nog even ingaan. Dat is de VAR verklaring. De VAR verklaring zag het licht in een formulier in onbegrijpelijke taal gesteld dat ik besloot te negeren. Dat heb ik geweten. De omroep waarvoor ik decennia werkte en waarvoor ik, sinds ik verplicht werd in de VUT te gaan, nog wel steeds op free-lance basis werk, staakte met onmiddellijke ingang alle betalingen. Na maanden wachten en veel heen- en weer gebel werd duidelijk dat dit met de VAR verklaring te maken had. Die moest ik echt invullen. Waarom hebben jullie me dat niet even laten weten, vroeg ik. We konden geen adresgegevens van je vinden, zei het meisje unverfroren. Ik heb godverdomme drieendertig jaar voor jullie gewerkt en nu kunnen jullie mijn adres niet vinden? . Nu was het mijn stem die oversloeg. Aan de andere kant van de lijn werd gezwegen. Een gek, zo hoorde ik in die stilte, we hebben te maken met een gek. En hoe kom ik aan zo'n VAR-verklaring. Die moet u bij de Belastingdienst aanvragen. Ik was meteen van je u geworden, gekken moet je niet tutoyeren, dan worden ze misschien nog gekker van boosheid.

Ik vroeg een formulier aan. Ontving tien dagen later geen formulier maar wel een brochure over hoe de VAR in elkaar zat. Belde opnieuw met de Belastingdienst. Er moest sprake zijn van een misverstand. Weer tien dagen later ontving ik het formulier. Ik vulde als werkzaamheden in ‘het leveren van bijdragen aan dag- en weekbladen en radio- en tv-programma's'. Stuurde de VAR verklaring naar mijn omroep. Een daverende stilte was het gevolg. Ondertussen waren de werkzaamheden al bijna een half jaar tevoren verricht. Mijn voormalige secretaresse bij die omroep maar eens laten bellen. Enkele dagen later kwam het antwoord: die omschrijving is veel te ruim. Dhr. Donkers moet voor elke soort werkzaamheden een aparte VAR verklaring aanvragen anders komen zowel wij als hij in Grote Problemen met de Belastingdienst.

Ik zal u de rest van dit verhaal besparen. Ik heb ondertussen vijf verschillende VAR verklaringen, voor vijf verschillende soorten werkzaamheden. Je moet ze ook nog elk jaar opnieuw aanvragen. Ik overweeg mijn free-lance pakket met vele werkzaamheden uit te breiden, zoals ongedierte-verdelger, melkboer, souteneur, baliemedewerker, bijwerkleraar, doodgraver. Ik wil tenminste twintig VAR verklaringen, zodat ik nooit meer voor een gat gevangen ben.

Nu zullen de jongeren onder u zeggen: ach meneer Donkers, waar heeft u het over, het kan nog veel erger. En dat is ook zo. De progressieve en o zo sociale omroep waar ik decennia voor werkte, een omroep die altijd op de bres staat voor de onderliggers en de minder bedeelden in de samenleving, neemt zijn nieuwe werknemers liefst zo jong mogelijk aan, net als Albert Heijn, omdat ze ze dan weinig hoeven te betalen. En als ze twee jaar in dienst zijn kunnen ze oprotten, omdat anders de verplichting bestaat dat ze in vaste dienst genomen moeten worden. En dat is niet de bedoeling, je zou eens expertise en vertrouwen kunnen opbouwen.

Bijna twintig jaar geleden werd ik opgebeld door een meisje dat als stageaire werkte voor de Nieuwe Revu. Dat blad bestond x jaar en men wilde voor het jubileum-nummer tien schrijvers op pad sturen naar een ver buitenland. Had ik soms zin om volgende maand naar Las Vegas te gaan om het gevecht tussen Mike Tyson en Frank Bruno te verslaan. Zin had ik wel, zei ik, maar ik had net de week tevoren drie maanden onbetaald verlof genomen om eindelijk de roman af te maken die ik mijn uitgever had beloofd. En als ik nu al begon iets van die tijd af te knabbelen zou dat het begin van het einde zijn. Het meisje bleek niet alleen een heel lieve stem te hebben maar ook behoorlijk vasthoudend van aard te zijn. Ik kon pas een eind aan het gesprek maken nadat ik had beloofd dat ze de volgende dag nog eens terug mocht bellen. Dat deed ze. Ik herhaalde mijn argumenten. Herhaalde dat ik weliswaar zeer vereerd was met de opdracht en dat ik...

Ah doe het nou! onderbrak ze me smekend aan de andere kant van de lijn. Hier viel geen argument tegenin te brengen.

Zonder tegenstribbelen hoorde ik mezelf instemmen.

Een maand later was ik in Las Vegas. De geplande roman kwam er nooit. De stageaire van de Nieuwe Revu is ondertussen de gevierde hoofdredactrice van een succesvol maandblad. En ik, ik beschouw me sinds die dag meer als free-lance journalist dan schrijver en ik heb daar oprecht geen seconde spijt van gehad. Zoals ik al zei: ik kan me geen prettiger manier voorstellen om mijn brood te verdienen. Ik heb in twintig jaar de hele wereld bereisd, verkiezingen, staatsgrepen verslagen, politici, pooiers en popmuzikanten geinterviewd, schrijvers, sportmensen en straatvechters. Overal in kleedkamers en achter schermen en coulissen mogen kijken, meer geleerd over het menselijk streven en falen, over heroiek en wreedheid, over ideologie en werkelijkheid dan ik achter mijn schrijftafel in een heel mensenleven had kunnen leren. Rijk ben ik niet geworden, maar wel rijk, als u begrijpt wat ik bedoel. De vier poten onder mijn stoel zijn er noodzakelijkerwijs wel een stuk of acht geworden, maar het zijn dunne, gammele pootjes waarvan er regelmatig een het begeeft. Er komt onherroepelijk een moment dat ik met mijn gat op de vloer beland maar zelfs dan zal ik, gezien en ondanks alle genoemde ervaringen, de lof van het free-lancen blijven zingen.

Jij gaat altijd maar zo'n beetje je eigen gang hé, zei laatst iemand tegen me. Het was niet helemaal positief bedoeld, eerder een beetje verwijtend. Ik schrok van de heftigheid, u mag het ook zelfvoldaanheid noemen, waarmee ik met ‘jazeker!' antwoordde.

Ik wil graag het toverstafje dat bij deze jaarlijkse lofrede behoort overdragen aan een zeer gewaardeerde collega die nog veel meer van de wereld heeft gezien dan ik in haar free-lancers bestaan. Linda Polman heeft prachtige boeken en nog veel meer prachtige reportages op haar naam staan, zij is een sieraad voor onze fragiele maar o zo creatieve beroepsgroep. En zij is de spreekster op de volgende jaarvergadering.

 

 « Terug