Onlangs kwam ik een vijftien jaar oud briefje van Joop van Tijn tegen, toen adjunct-hoofdredacteur van het weekblad Vrij Nederland. Voor zijn weekblad schreef ik in die jaren wel eens een reportage of documentair verhaal. Terugblikken kan pijnlijk zijn, voor een freelancer. In dat briefje stond ook de honorering van mijn debuut in de vaderlandse journalistiek, een verhaal vanuit Oost-Berlijn in 1990. Wat bleek: het woordtarief was exact hetzelfde als wat ik nu bij VN ontvang. Versta mij goed: ik ontvang nu niet in euro's wat ik toen in guldens kreeg. Mijn honorarium is in vijftien jaar geen cent méér geworden. Welke Nederlander kan dat nog zeggen? Ik verdien, vijftien jaar ervaring rijker, naar de waarde berekend dus pakweg de helft minder.
Toen kreeg ik er, als beginnend journalist, zelfs nog wat extra's bij: een intensieve begeleiding bij het schrijven van die nogal omvangrijke, soms complexe verhalen. Mijn altijd druk bezette VN-adviseur kon mij daartoe enkel ontvangen om een uur of drie, vier - 's nachts. Maar dan nam hij ook de tijd.
Ik heb VN toen maar voor De Groene Amsterdammer ingeruild, een financiële aderlating. Na tien jaar heb ik het daar gewaagd een inflatiecorrectie voor te stellen van een stuiver per woord. Een redacteur noemde me een geldwolf; de immer minzaam bemiddelende hoofdredacteur Martin van Amerongen was er toen al niet meer. Nadat de redactie een aan mij persoonlijk in het vooruitzicht gestelde subsidie voor zich probeerde te claimen, was het mooi geweest. Gelukkig was een redactrice van De Groene inmiddels hoofdredacteur van Vrij Nederland geworden. Onder haar bewind werd de begeleiding van stukken stukken veiliger. Totdat zij zelf werd gewipt.
Je kunt mij voor een reportage in het meest verlaten Oost-Europese dorp neerpoten of in het meest grimmige grotestadsdecor, of mij de meest veeleisende interviewpartner voorzetten, en ik voel mij volkomen op mijn gemak. In de uitoefening van mijn vak heb geen last van andere zenuwen dan positieve opwinding.
Maar zodra ik een redacteur op moet bellen om afspraken te maken, verander ik in één bonk nervositeit. Ik voel me in die contacten loslopend wild, een beginneling, bedelaar, hoer. Merkwaardigerwijze gaat het krantenbedrijf vaak met me om alsof ik het tegenovergestelde ben, zeg maar een arrogante pooier. Ik heet lastig. Ik uit kritiek op fouten, op slordigheden ter redactie en zelfs op andere stukken in de krant. Altijd ben ik de enige die op zulke slakken zout legt, wordt mij te verstaan gegeven. Zo wordt de communicatie al gauw een aaneenschakeling van wederzijdse misverstanden en frustraties.
Ik werk nu aan twee boeken over aspecten van de recente Nederlandse cultuurhistorie, tijdperken waarover de laatste getuigen nog uit eigen ervaring kunnen vertellen. Deze oude mensen kunnen elk moment doodgaan. En dat doen ze ook, dat bezorgt mij wel enige zenuwen.
Maar het is niets vergeleken bij de spanningen die mij parten spelen, wanneer ik van een reis uit Midden- of Oost-Europa terugkeer - mijn andere lievelingsthema. Dan breekt namelijk het precaire moment aan dat ik me voor de laatste details rond het afgesproken materiaal bij krant of weekblad moet melden. Stuurt een redactiechef mij, op mijn voorstel, voor een serie
reportages ver van huis, blijkt hij bij mijn terugkomst vervangen. Of het hele katern blijkt op de helling gezet. Oude afspraken? Nieuwe tijden!
Mijn Europa is vol dynamiek, maar mijn media zijn dat nog meer. Als zo'n afgesproken serie ook nog de basis moet vormen van een boek waarvoor de subsidie al is toegezegd onder voorwaarde dat die krant meedoet, kun je mij uitwringen en oprapen. Totdat een al op het zijspoor gezette oudere redacteur, zo'n man vol kennis en visie, het plan op de valreep in een bevlogen missie weet te redden. Kort erna is hij door zijn krant uitgestoten.
Stemt een hoofdredacteur hartgrondig in met een interview in een verre Europese staat, blijkt bij mijn terugkomst het redactioneel beleid gewijzigd en heet dat stuk Europese Unie opeens ‘te ver van ons bed'.
Zet je die afspraken dan niet op papier, vraagt een beetje FLA-lid zich af. Ja hoor, ze staan gewoon in mijn mail. Maar al is er een financiële vergoeding te claimen, de roem van een publicatie is verloren. Om maar te zwijgen van de geïnvesteerde tijd. Voor een interview met iemand in mijn eigen stad krijg ik namelijk, bij elk van mijn media, hetzelfde woordtarief als voor een artikel waarvoor ik het leven van tien Polen twee weken lang op locatie volg.
De Duitse fotograaf met wie ik veel werk, vertelde me eens dat hij een dagvergoeding kreeg voor de geïnvesteerde tijd. Hij was stomverbaasd dat ik, die de opdrachten verzin en er tien of vijftig keer zoveel tijd mee kwijt is dan hij, van zijn mededeling stomverbaasd achterover sloeg. Toen ik ter redactie zoiets ook eens voorstelde, werd ik prompt uitgelachen. Deze fotograaf krijgt trouwens ook voor elk hergebruik van zijn foto's moeiteloos betaald. Ik doe vast iets fout.
Dit is een lofrede op het freelancen. Maar niet perse een lofrede op de media. Neem die keer dat de redactie van een zaterdags magazine me vroeg de totstandkoming van een theaterproductie tot aan de première te volgen. Leuk! Totdat de kersverse redactrice, afkomstig uit de reclame, op een achternamiddag mijn verslag van zes pagina's reduceerde tot een reeks interviewportretjes met hapklare soundbites. Dat oogde vlotter, zei ze, mijn dramatische spanningsboog met zijn sfeerimpressies hield de zaak maar op. Het gaat niet om tijdsverloop, Annemieke, het gaat om leuke kadertjes. Dat de acteurs nu babbelden over dingen die ze helemaal nog niet konden weten, zag de magazinelezer toch niet, meende ze. Het was haar eigen chef tenminste niet opgevallen.
Mijn grootste journalistieke prestatie van dat jaar was ongetwijfeld het feit dat ik haar chef, die bij het magazine zijn tijd uitzit, ervan heb weten te overtuigen mijn versie te plaatsen. Maar op die dag van de deadline ben ik vijf jaar ouder geworden. Direct erna kortte die reclamelellebel mijn woordtarief met 25 procent. Ik ging; zij werd niet ontslagen. Ik droom nog wel eens van haar wanneer ik te zwaar getafeld heb. Maar afgelopen week werd bekend dat dit magazine wordt opgeheven.
De mooiste slapeloze nachten zijn die waarin ik, doorrookt en met veel cola en een beetje wodka met vers citroensap, geïnspireerd doorwerk totdat het licht wordt. Collega's in vaste dienst tonen zich wel eens jaloers wanneer ik dan ‘zomaar' een ochtend vrij heb. De ergste nachten zijn die waarin ik gesprekken met of mails aan een redactie lig voor te kauwen. Hoe kan ik in drie minuten of in tien regels mijn plan voor een stuk over complexe oost-westverhoudingen uitleggen aan een gehaaste redacteur, die een week eerder nog schreef dat Oekraïne ten westen van Polen ligt?
Het zijn nachten vol angstvisioenen. Zou ‘mijn' Berlijnse fotograaf wéér pas twee dagen voor de deadline worden benaderd of zou de fotoredactie wéér een halve dag voor het zakken van de krant worden geïnformeerd over een verhaal dat al twee maanden staat ingepland? ‘Lodz? Waar ligt dat? Van die stad zijn geen foto's, hoor.' Zouden de geografische kaartjes weer vol fouten zitten? ‘Tja Annemieke, onze kaartjesmaker is nu eenmaal dyslectisch, dat weet je toch.' ‘Nee joh, jij hoeft de kaartjes niet te controleren, doen wij wel.'
Ik freelance voor wat de kwaliteitssector van de vaderlandse pers wordt genoemd. Mijn stukken worden gewaardeerd, hoor of lees ik wel eens. Maar toch moet ik mij elke keer weer invechten. Ik ben vast de enige. Zulke verhalen hoor ik nou nooit van anderen. Trouw lees ik de mails en stukken uit de FLA-correspondentie. Dat doet pijn. Een beginnend collega blijkt dan moeiteloos bij het eerste het beste vakblad een euro per woord op te strijken en meldt stoer dat we het als FLA-leden voor minder natuurlijk niet doen. Terwijl ik net voor een kwartje heb gewerkt en over de reiskosten maar niet ben begonnen.
Jaloers lees ik hoe dapper enige FLA-leden gezamenlijk in het offensief komen tegen het bijna gratis hergebruik van hun stukken in het van hun krant afgeleide, nieuwe vlotte jongerenkrantje. Ik zat laatst eenzaam op de redactie van een krant waarvoor ik al jarenlang werk. Ik kreeg er een formulier onder de neus geduwd dat de krant gratis van alle hergebruik van mijn stukken zou verzekeren. ‘Teken nou gewoon effe, Annemieke. Anders kun je je verhalen, die wij zó graag willen hebben, niet meer voor ons schrijven. Je bent de laatste dwarsligger, zei de hoofdredactie.'
Ik heb maar gezegd dat mijn zweetaanval door opspelende hormonen werd veroorzaakt. Ik ben vijftig geworden, en mijn hormonen maken mij inderdaad wat overgevoelig. Ze spelen echter vooral op in situaties wanneer ik mij als een twintigjarige of aftandse bejaarde behandeld voel. En wanneer er tegen me wordt gelogen. Dat laatste weet ik dankzij de FLA.
Ik heb niet getekend. Ik heb nooit ergens getekend om de rechten op mijn stukken uit handen te geven. Met een kleine concessie heb ik me er bij die krant nog uit gered. Maar toch heb ik die dag verloren. Eigenlijk was ik juist naar de krant gekomen om de illegale herplaatsingen van mijn stukken te verzilveren. Ik had veel moed verzameld. Ik zou gaan melden dat mij nooit om toestemming daarvoor was gevraagd, laat staan dat een bedrag was overeengekomen, laat staan betaald, terwijl een paar van die stukken nota bene al vijf jaar lang tegen één euro of nog meer per klikje worden doorverkocht - dat heet heling, redactie!
Deze kwestie heb ik niet meer durven aankaarten. Dat wil zeggen: ik had dat al drie keer eerder schriftelijk gedaan, maar daarop is nooit gereageerd. Ik ben bang dat ik, als ik op mijn strepen ga staan, de stukken waarvoor ik zo graag op stap ga, niet meer kan slijten.
Wellicht is het tekenend voor de ongemakkelijke omgang met freelancers, dat ik van deze krant met enige regelmaat een bedrag van 0,01 eurocent krijg overgemaakt. Nee, dit is geen tegemoetkoming in het hergebruik van mijn stukken. De financiële administrator verklaarde desgewenst vriendelijk dat zijn betalingssysteem nu eenmaal niet op zelfstandige medewerkers was ingesteld. Dat met die ene cent was een administratieve noodgreep ter verwerking van mijn facturen.
Tijdens het dagelijks vergaderuurtje dat de v.o.f. Partner en Verbij, bestaande uit mijn echtgenoot annex collega en ikzelf, stipt om middernacht aan de keukentafel te Berlijn beleggen, kwam onlangs het duveltje uit het doosje. Mijn medefirmant had ergens ooit zo'n onding van een formulier getekend! Hij bracht het niet eens als een bekentenis. Hij is dan ook
geen lid van de FLA. Mijn Antoine lijdt niet aan slapeloze nachten. Dankzij één pennenstreek kan hij zich voor de volle honderd procent op de inhoud van zijn stukken concentreren. Het zit me nog dwars.
Eigenlijk ben ik, mediacommunicatief gesproken, nog het gelukkigst bij het filmblad waarvoor ik werk. Tegen tien eurocent per woord zit ik op de eerste rang. Het blad heeft zo'n marginale positie dat niemand er op het idee zou komen de auteur van zijn rechten te beroven. Nu werkt het filmblad mee aan een boek van me. Zonder geld, maar met enthousiasme.
Als dit, tot slot, een lofrede op het freelancen is, vormt het werk aan mijn boeken het hoogtepunt in dit ongewisse bestaan. Het gedoe met uitgevers die zich als mislukte zeepfabrikanten ontpoppen, zal ik mijn gehoor besparen. Er zijn ook leuke uitgevers. In ruil voor een goed gesprek over de materie bezorg ik het geld en zij maken het boek. Contracten? Die zie ik zelden. Bij de presentatie drinken we samen een goede borrel. Je moet je uitgever kunnen vertrouwen. Mijn boeken voeren me dwars door Europa én door de spelonken van de Nederlandse cultuur. Die boeken houden me in leven, als het niet financieel is - en dat is het niet - dan in elk geval mentaal.
Ik heb dit estafettestokje twee jaar geleden van Karin Spaink gekregen, een publiciste voor wie die mentale kick van het werk eens te meer geldt. Ook nu zij zo ziek is, schrijft zij door - ook over haar ziekteproces. Laat het haar goed gaan.
En het is me een groot genoegen het stokje over te dragen aan een andere pionier van de vrije gedachte en het vrije woord: Jan Donkers. Hij is een man met wie ik een sociologische kijk op de wereld deel. Hij heeft uit den verre bericht en beseft daardoor des te beter dat ook een blik op zijn eigen buren de moeite waard kan zijn. Onlangs is hij in zijn Amsterdam-Noord voorzitter geworden van de splinternieuwe adviescommissie kunst en cultuur. ‘Het wordt lente in cultureel Siberië', las ik daarover ergens. ‘Cultureel Siberië', zo had Jan zijn geboortewijk een keer betiteld.
Jan, zonder ons freelancers zouden ook de Nederlandse media een cultureel Siberië worden, denk ik. Ik ben benieuwd naar jouw mening en verheug me op je speech van volgend jaar.
« Terug