(19 augustus 2004)
Er staat veel in de (verkorte) Feestrede van Karin Spaink waarmee ik het helemaal eens kan zijn. Natuurlijk is het (ook) voor schrijvers van het grootste belang, dat ze de prettige kanten van het internet zo intensief en extensief mogelijk benutten. En het staat vanzelfsprekend iedereen vrij om eigen werk, op voorwaarde dat zij of hij de rechten niet (meer) heeft overgedragen, aan wie dan ook en op welke manier dan ook ter beschikking te stellen. Bijvoorbeeld door uitverkochte boeken of bundels zelf op het net te zetten. Of dat altijd verstandig is is een tweede. Om maar eens iets te noemen, het zou een andere uitgever (of nogmaals de oorspronkelijke) er wel eens van kunnen weerhouden om een boek opnieuw in productie te nemen. Met alle nieuwe publicitaire mogelijkheden (én vers geld) van dien. Maar een schrijver moet uiteraard te allen tijde zelf bepalen wat haar of hem slim lijkt.
Ik zelf heb het altijd slim gevonden als makers van auteursrechtelijk beschermd werk zich voor de exploitatie daarvan aansluiten bij auteursrechtorganisaties. Veel auteursrechten kunnen niet anders dan collectief geëxploiteerd worden. Om het muziekauteursrecht als voorbeeld te nemen: niemand die zich daarmee bezig houdt mag de illusie hebben dat hij zelfs maar in beperkte mate kan controleren wat er met zijn muziekwerken gebeurt. Met als gevolg, dat allerlei mensen en instellingen (uitvoerende kunstenaars, maar ook concertorganisatoren, zaalexploitanten, platenmaatschappijen, omroepen, internetproviders et cetera, et cetera) een boterham en soms hele bakkerijen overhouden aan hun gebruik van onder andere zijn 'geestesproducten' zonder dat hij er (in het ergste geval) ook maar een cent voor heeft kunnen vragen.
Natuurlijk zorgt de Auteurswet 1912 nog altijd voor juridische bescherming, maar als het gaat om het verlenen van toestemmingen, voorwaarden voor het gebruik en de handhaving daarvan heeft hij een gespecialiseerde organisatie broodnodig. En dan bij voorkeur een, waarin hij, samen met collega's, ook nog iets te zeggen heeft over het beleid. Buma (het Bureau voor Muziekauteursrecht) is een vereniging, wat onder andere inhoudt, dat de ledenvergadering (jaarlijks, maar onder voorwaarden op elk door een zeker aantal leden gewenst moment bijeen te roepen) de instantie is die uiteindelijk alle principiële beslissingen neemt. En ook in stichtingen als Stemra en LIRA is het bestuur voor de uiteindelijke besluitvorming gebonden aan het oordeel van de vergadering van aangeslotenen.
Nederlandse auteursrechtorganisaties hebben nog een bijkomend voordeel. Nederland is een auteursrechtimporterend land. Veel van wat wij beluisteren en lezen werd ooit bedacht door buitenlandse auteurs. Op basis van internationale afspraken mag tien procent van de opbrengst van die werken in Nederland worden ingehouden en besteed aan 'binnenlandse' culturele en sociale doeleinden. Wie de jaarcijfers van de VSenV bekijkt, ziet dat zo'n tweederde van de inkomsten - en dus ook die van de FLA - 'gefourneerd' wordt (om maar eens een echt schrijverswoord te gebruiken) door auteursrechtorganisatie LIRA. Je zou kunnen zeggen: de auteursrechtorganisaties (Buma, LIRA, Beeldrecht, Nieuwswaarde et cetera) verdienen het geld, waarmee auteursorganisaties als de VSenV op allerlei manieren aan belangenbehartiging van de aangeslotenen kunnen doen. Een goed functionerend bureau, een fonds voor rechtshulp, een pensioenregeling, dat is allemaal onmogelijk te financieren uit alleen maar contributiegelden. Dus als Karin Spaink stelt: 'Wie zelf auteursrechtelijk beschermd werk maakt, hoeft zich niet volledig uit te leveren aan mediaconglomeraten en auteursrechtexploitanten.', dan ben ik de laatste om dat tegen te spreken, als zij zich maar realiseert, dat de auteursrechtorganisaties in die strijd moreel en financieel per definitie aan de kant van die 'Wie's' staan.
« Terug