Lekker sappelen, door Willem Oosterbeek

11-11-1999

Waarom toch al dat geploeter als freelance journalist? Vandaag weet je niet wat je morgen verdient. Je hebt geen baangarantie, geen pensioen, geen doorbetaalde vakantie en geen winstpremie...

 

(Gepubliceerd in HP/De Tijd, 12 november 1999)

Waarom toch al dat geploeter als freelance journalist? Vandaag weet je niet wat je morgen verdient. Je hebt geen baangarantie, geen pensioen, geen doorbetaalde vakantie en geen winstpremie. Een penthouse of een riante auto -vergeet het maar. Maar daar staat veel tegenover.

Nederland is een stuk rijker geworden, wordt me voortdurend van alle kanten toegeroepen. Het klopt, want ik zie het om me heen. Vrienden die twintig jaar geleden nog genoegen namen met een bescheiden inkomen, zijn nu opgeklommen op de maatschappelijke ladder en krijgen een salarisstrook waar soms wel vijf cijfers voor de komma staan. Ze zijn directeur geworden van een woningbouwvereniging, een scholengemeenschap, hoogleraar, chef bij een grote medicijnenfirma of hoofd van een Tv-bedrijf. Steeds vaker kom ik terecht in een kapitaal pand met een grote tuin, een schitterend gerenoveerde oud pakhuis of een penthouse op een yuppenlocatie. De oude Deux Chevaux is al lang ingeruild voor een Alfa Romeo 166 of Volvo 40S. Kortom, het is veel van mijn vrienden naar den vleze gegaan. Ik echter bezit niets van dit alles. Voor mij geen salaris van vijf cijfers voor de komma. Als freelance journalist moet ik hard werken voor m'n geld waar ik vervolgens net van kan rondkomen. Op onmogelijke uren en niet zelden tijdens het weekend ga ik de boer op om een artikeltje bij elkaar te sprokkelen voor één van m'n opdrachtgevers. Dat alles à raison van een paar honderd piek. De keren dat ik beloond wordt met een bedrag van vier cijfers voor de komma, zijn op de vingers van één hand te tellen. Voor mij geen prachtig dakappartement of een riante boerderette, maar een huurwoning van twee kamers met een klein balkonnetje. En mijn auto is lang en geelblauw en rijdt als het goed is volgens een kloppende dienstregeling, over ijzeren staven.

Het is een schrale troost, maar ik weet dat ik niet de enige ben. Nederland wordt bevolkt met duizenden van dit soort sappelaars. Acteurs, vertalers, musici, speelfilmregisseurs, fotografen, violenbouwers of freelance journalisten; ze zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Eenmansbedrijfjes die vaak maar amper het hoofd boven water kunnen houden. Waarom toch al dat geploeter? Voor een deel zal het uit nood zijn geboren. Sollicitaties leverden niks op en de banden van de Sociale Dienst werden al knellender. Voor een ander deel zullen er andere motieven een rol hebben gespeeld. Idealisme is direct zo'n groot woord, maar iets daarvan moet velen van hen hebben bezield. De wil om mooie dingen te maken desnoods ten koste van een riant inkomen. Noem het een stug vasthouden aan een lang geleden bedacht idee over geluk of zelfontplooiing. Zoiets.

Marginaal bestaan
Ik klaag niet want m'n bestaan als freelance journalist is een eigen keuze geweest. Journalist wilde ik altijd al worden. Nog voor ik op de lagere school zat 'schreef' ik. Onzinkrabbels op een papier dat ik naar een vriendje 'stuurde'. De School voor de Journalistiek leek me niks. In de woelige jaren zestig ben ik er één keer geweest, vaak genoeg om me te overtuigen van het feit dat ik hier niet veel zou opsteken. Dus werd het de universiteit met politicologie en geschiedenis. Een soort cursus algemene ontwikkeling die me goed van pas zou komen in m'n latere journalistieke carrière, redeneerde ik.

De eerste jaren na de studie leed ik een marginaal bestaan. Ik durfde niet echt de journalistiek in, keek ontzettend op tegen echte kranten en echte journalisten en schreef aarzelend wat stukjes voor blaadjes van vrienden of een actiecomité. Een baantje bij een uitgeverij en later als hoofdredacteur van een vakblad, hielp me over die schroom heen. Ik kreeg stukken onder ogen van gerenommeerde journalisten en zag dat het af en toe een behoorlijk rommeltje was. Na vier jaar was ik m'n vaste baantje zat. Er waren te veel verplichtingen en verantwoordelijkheden, ik voelde me te veel opgesloten in één onderwerp en kon te weinig zelf schrijven. Want dat was wat ik wilde: zelf mooie artikelen maken.

Dus begon ik met die paar contacten die ik had, verhaaltjes te maken. En ik schreef zelf stukken op de bonnefooi die ik dan later probeerde te slijten. Ik schreef en leefde van de hand in de tand en maakte me over geld niet al te druk. En het wonder geschiedde: het lukte, men bliefde mijn artikelen. Natuurlijk was er af en toe ook geluk. Maar alleen geluk? Nee, 't moest toch ook wel iets voorstellen, die stukjes die ik schreef, want geluk alleen kan het redelijke succes op een gegeven moment niet meer verklaren.

De bevrediging haalde ik niet uit de maandelijkse overschrijving op m'n bankrekening maar uit het schrijven en uit het feit dat m'n naam weer ergens in druk was verschenen. Ik weet nog goed dat mijn eerste verhaal in HP/De Tijd verscheen. Het ging over vergeten doden die door de gemeente werden begraven en er stond een prachtige tekening bij van Frits Müller. Toen het werd gepubliceerd in januari 1992 heb ik mezelf en m'n vriendin op koffie en gebak getrakteerd. "Zo" zei ik tegen haar, dit kan niemand me ooit meer afnemen."

Nieuwe wereld
Sindsdien word ik door mijn vrienden die directeur zijn benijd om m'n vrijheid. Terwijl zij 's morgens vroeg in de file staan om altijd maar weer naar datzelfde kantoor te gaan waar een grote stapel routinewerk ligt te wachten, lig ik nog op één oor, zit thuis achter m'n PC of duik een nieuwe wereld in. Geen verantwoording al te leggen aan een baas die je vertelt wat je moet doen en geen eindeloos doorzeurende vergaderingen, maar in het vliegtuig naar Noord-Ierland om een verhaal te schrijven over Dairmuid, 21 jaar en doodgeschoten door een paramilitaire organisatie, en Julie z'n vriendin, die het leven zonder Dairmuid als zinloos ervaarde en daarom maar teveel pillen slikte. En als ik eens een dag geen zin heb, zwerf ik door de stad of maak ik een lange wandeling en niemand die mij vertelt dat het niet kan. Absoluut, er zijn ook nadelen. Je bent altijd in je eentje aan het werk, en je kunt nooit eens met iemand overleggen. Het is vaak een eenzaam bestaan, en hotelkamers in het buitenland, op welke exotische locatie dan ook, zijn niet leuk als je alleen bent. Een journalistenclubje helpt een beetje, maar eigenlijk zou ik op zoek moeten gaan naar een freelance-journalistenclubje. Maar zelfs dan: ons werk is vaak zo verschillend dat er eerder weinig dan veel raakvlakken zijn.

Het grootste nadeel van het freelance journalistenbestaan is de eeuwige financiële onzekerheid. Vandaag is niet duidelijk hoeveel je morgen zult verdienen. Geen baangarantie, geen pensioen, geen doorbetaalde vakantie en geen winstpremie aan het eind van het jaar. Wel grote bestaansonzekerheid, een dure ziektekostenverzekering en als je later ook nog belegd brood op de plank wil, zul je zelf voor een pensioen moeten zorgen.

Geld verdienen heeft nooit m'n grote interesse gehad. Mijn behoeftes zijn simpel. Ik wil af en toe eens buiten de deur kunnen eten, ik wil een droge en warme plek hebben voor om te leven, ik wil een paar boeken kunnen kopen en af en toe eens de deur uit kunnen naar een ver en vreemd land. Inderdaad, ik heb geen gezin en geen kinderen. Maar ook daar kun je tegenwoordig voor kiezen.

Gereformeerde paplepel
Die paar dingen die ik wel wil doen, uit eten af en toe, boeken kopen, de huur betalen en een vliegticket kopen, lukken met het geld dat ik nu verdien. En ondanks m'n minder dan modale inkomsten ben ook ik er in geslaagd een stuk rijker te worden de afgelopen tien jaar. Deels wordt dat veroorzaakt door m'n sobere leefstijl, deels omdat de zuinigheid me met de gereformeerde paplepel is ingegoten. Ik kan rondkomen van een habbekrats; om luxe maal ik niet.

Voor een belangrijk deel komt het echter ook omdat ik een paar vaste opdrachtgevers heb, waarvan er één flink wat meer betaald dan HP/De Tijd. Het werk voor die opdrachtgever is lang niet zo boeiend als werken voor HP/De Tijd, maar ik accepteer het voor een paar keer per jaar juist omdat het me de mogelijkheid geeft die aardige verhalen voor andere bladen en kranten wel te schrijven.

Het geld dat ik heb overgehouden heb ik eerst in lijfrentepolissen gestoken, maar al snel kwam ik er achter dat de banken me met deze spaarvorm aardig bestalen. Sindsdien probeer ik via een aandelenfonds, een mixfonds en een spaarrekening zelf wat geld voor later bijeen te sprokkelen. Door te kiezen voor deze verschillende vormen hoop ik het risico een beetje te hebben gespreid. Zo hebben de jaren negentig anderen een fortuin opgeleverd, mij niet meer dan het geld voor drie modale auto's. Maar mijn arbeidsvreugde is er al die jaren niet minder om geweest.

 « Terug