|
Annemarie Oster maakt zich vrolijk over het uitnodigen van tv redacties. Ze weet waarover ze het heeft: eerder werkte zij zelf ook voor zo'n redactie. Hoe men scoren kan met namen en over de ijdeltuiterij der hele en halve sterren. (Gepubliceerd in De Volkskrant, april 1999) Af en toe word ik gevraagd voor een radio- of televisieprogramma: « Ha, ze hebben aan me gedacht. » Als je niet oppast blijf je tot je dood toe kwispelstaarten. Vroeger waren die « ze », die in hun oneindige generositeit wel eens aan me dachten, de volwassenen; later werden dat mannen: « Ha, hij belt. Ik ben leuk! » En wie zijn die ze van tegenwoordig? Een stelletje gemelijke redactieleden die, onderuitgezakt achter hun computer, nog of weer of even niet rokend en met de andere hand een plastic bekertje fijnknijpend, zitten te brainstormen wie ze deze week nu weer eens interessant zullen vinden: Jongens, wie hebben we nog niet gehad? Ooit zat ik zelf in zo'n redactie. Om een met kranten en tijdschriften bezaaide tafel maakten we, al ginnegappend, lijstjes met namen van min of meer bekende Nederlanders, je kunt ze zo gek niet bedenken, van prinses Irene tot Pommetje Horlepiep, Jeroen Krabbé tot Mimi Kok. Ik stond daar toen niet bij. Het idee! Ik was zelf redactielid. Geen grotere minachting dan die van een radio- of televisiemedewerker voor een min of meer bekende Nederlander. Na een hilarische selectie werden de namen, in hierarchie oplopende kleuren, op een schoolbord gekrijt. In twee kolommen. Links stonden de kandidaten die nog niet hadden toegezegd, vaak ook weer in rijtjes opgesplitst, soms met een beledigend vraagteken achter hun naam: zo iemand was nog niet helemaal door onze ballotage heen. In de rechterkolom paradeerden de coryfeeën die zich voor ons karretje hadden laten spannen. Achter de naam van zo'n ijdeltuit zetten we, tussen quasi-bescheiden haakjes de eigen initialen. Hoe meer beroemde namen je had gescoord, hoe hoger je in aanzien steeg, vooral in het eigen. Ik weet nog - het liep tegen kerstmis - hoe ik een halve dag naast mijn schoenen heb gelopen, omdat ik, voorlopig, mijn oud-toneelschoolgenoot Rutger Hauer had weten te strikken, helemaal in Amerika. Nog hoor ik het stamelende stemmetje van de telefoniste - het Los Angeles klepte in de verte: « Rutger Hhhauer voor je aan de lijn. » Hij belde af. Zijn vrouw had hem de kerstdagen liever thuis. « Natuurlijk, daar kan ik alleen maar respect voor hebben... » Zelden klonk mijn stem zalvender. Misschien « kreeg » ik de beroemde filmster nog een andere keer. Maar toen ik had neergelegd, tapte ik uit een ander vaatje: « Slappeling. Zei ik het niet: Dat mannelijke uiterlijk heeft hij alleen maar van zijn moeder. » Wat overigens zo is. Rutgers vader, van wie we op de toneelschool een denkbeeldige krijtkring om onszelf heen moesten trekken, had geen kin. Zijn moeder, een krachtdadige Groningse, wel. Zij liet de amateurs aan wie zij op haar beurt les gaf, gewoon spelen. Sinds ik televisiemedewerkster-af ben, gaat van tijd tot tijd de telefoon: « Sorry dat we u zo laat bellen, maar we vinden u zo'n leuke vrouw, zou u...? » Een redactielid, dat kan niet missen. De afgelopen weken heb ik me twee keer laten overhalen. Eerst voor Weekendcafé, een AVRO-radioprogramma, waarin filmdeskundige Jacques Goderie zijn gasten uit de amusementswereld zo weinig mogelijk aan het woord laat. Er zou sprake zijn van een pittig debat tussen theaterrecensenten en acteurs. De dag ervoor had ik een indringend voorgesprek met een redacteur. Die weet nu alles van me, dit in tegenstelling tot de luisteraars. Het gezelschap bestond uit drie journalisten: Hein Janssen, Peter Liefhebber en ik (nooit zei de gek zeggen). Opponenten waren Willem Nijholt, die naar de studio was gekomen in de veronderstelling dat zijn nieuwe cd zou worden gepromoot en Frans Mulder van Purper, die zichzelf ook maar had gestuurd. Waar waren recensenten-haters als een Carol van Herwijnen, Adelheid Roosen? Niks debat. Om een ronde tafel mochten wij meeluisteren naar de radio: edelfiguratie in de Jacques Goderie-show. Een paar dagen later deed ik mee aan de Nieuwsquiz van de NCRV, die in het nieuwe jaar zal worden uitgezonden. Het Amfitheater van De Rode Hoed zat bomvol prominenten. Medepanellid Koos Postema, op de rij onder me, was de enige die het woord tot me richtte. Helaas bleek hij te breedgeschouderd om bij hem af te kunnen kijken. Verder heb ik me te pletter verveeld. Nergens wordt zo slordig met mensen omgesprongen als in radio- en televisieland. Eigen schuld. Want waar die - al dan niet omhooggevallen - medewerkers, in vaste dienst, freelance, adhoc of weet ik veel, gewoon voor hun werk worden betaald, komen hun door gevleidheid en geldingsdrang gedreven gasten opdraven voor de kat zijn kut: een fles zure wijn. p.s. Terwijl ik dit allemaal zat op te schrijven, ging de telefoon: een redactrice van Veronica's Nachtsuite. « Wij maken een programma over sterke vrouwen en vinden u... Wat zegt u? Nee, daar hebben we geen budget voor. » Ik heb bedankt. Sterke vrouw? Dat zal ze leren. |