Auteursrecht, door Hans Ree

02-01-1999

Hans Ree waarschuwt dat auteursrechten steeds meer in handen komen van uitgevers in plaats van die van de auteurs zelf: in medisch-wetenschappelijke tijdschriften is het al usance dat je al je rechten moet vergeven wil je mogen publiceren. Het ergste is nog wel: die bladen zijn desalniettemin zo duur dat haast niemand zich nog kan veroorloven ze te kopen. Maar ook bij kranten gaat het niet altijd goed.

(Gepubliceerd in NRC Handelsblad, 1 januari 1999)

Op de opiniepagina van deze krant staat af en toe een korte tekst die ik steeds met grote aandacht lees. Ik hoop dat ik me niet aan schending van een auteursrecht schuldig maak als ik citeer:  »Inzending geeft de redactie het recht het artikel in gedrukte, elektronische en/of enige andere vorm vast te leggen, te vermenigvuldigen dan wel openbaar te maken onder meer via databanken, via het netwerk van NRC Handelsblad en daarop toegankelijke andere digitale netwerken, door telecommunicatie, op diskette, op CD-Rom en/of CD-I. Overigens blijven de auteursrechten op die artikelen volledig bij de auteurs berusten. » Dat laatste zinnetje moet een grapje zijn, want van het auteursrecht zal niet veel meer over zijn als de redactie eenmaal al die rechten die ze claimt heeft uitgeoefend.

Volgens de Nederlandse wet, bevestigd in een proefproces dat door freelance publicisten is gevoerd tegen de Volkskrant, mag al dat vastleggen en vermenigvuldigen nu juist niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Wat zou de juridische status zijn van die mededeling op de opiniepagina? Eens in de maand hang ik een bordje op mijn deur dat zegt: « Wie in mijn huis komt geeft mij het recht naar willekeur over zijn eigendommen te beschikken. Overigens blijven de eigendomsrechten geheel bij de bezoeker berusten. » Grapjas, denkt die bezoeker, als hij het bordje al ziet. De juridische status van het bordje is mijns inziens nul.

Het zal me worst zijn hoe die auteursrechten van de inzenders geregeld zijn, laten ze het zelf maar uitzoeken en val mij er niet mee lastig, denkt u. Maar aan de twist om eigendomsrechten is toch een kwestie van enig algemeen belang verbonden. Wie een stuk naar de opiniepagina stuurt wordt geacht zijn auteursrecht voor een groot deel op te geven. De inzenders zijn dan ook bijna altijd mensen voor wie het auteursrecht niet belangrijk is. Politici, ambtenaren. In het algemeen mensen met een baan. Er bestaan ook mensen voor wie het auteursrecht heilig is, omdat het het belangrijkste is dat ze bezitten. Ongebonden intellectuelen zou je ze met een ouderwetse term kunnen noemen. Voor hen is de mededeling op de opiniepagina een toegangsverbod. De mededeling zegt: « Wie zijn auteursrecht serieus neemt is hier niet welkom. » Hij wordt van het « podium voor discussie » geweerd.

Het Nederlandse woord auteursrecht is trouwens ook nogal ouderwets, omdat het de indruk wekt dat de rechten van een auteur beschermd worden. Er wordt tegenwoordig veel geschreven over de tegenstelling tussen het auteursrecht en het informatierecht van de consument. Zo lijkt het of het de auteurs zijn die de consumenten willen weren uit het elektronisch informatieparadijs, maar zo is het meestal niet.

In de moderne elektronische wereld is het Engelse woord copyright veel meer van toepassing. Het recht om te kopiëren is in de praktijk van nu en vooral van straks in de eerste plaats een recht van uitgeverijen, waardoor de rechten van een auteur juist in de knel kunnen raken.

Een interessant voorbeeld vormen de wetenschappelijke tijdschriften. Uitgeverij Elsevier Science geeft ongeveer vijftienhonderd tijdschriften uit. De artikelen worden gratis geleverd door wetenschapsmensen en meestal gratis beoordeeld door hun collega's. De auteursrechten berusten geheel bij de uitgeverij en de auteurs zelf hebben niet eens het recht om hun eigen artikelen elders uitvoerig te citeren. Door de monopoliepositie van Elsevier zijn de abonnementsprijzen schrikbarend gestegen. Een jaarabonnement op Excerpta Medica kost dertigduizend pond. Een universiteitsbibliotheek die alle Elseviertijdschriften wil hebben, is jaarlijks tussen de een en twee miljoen pond kwijt. Dat geld hebben ze niet. De auteurs van de artikelen willen het natuurlijk anders, maar die zijn hun rechten kwijt. De wetenschappelijke wereld die de artikelen genereert, heeft niet meer het geld om ze te lezen.

Deze financiële berekeningen werden gemaakt in het eerste nummer van 1999 van de London Review of Books door John Sutherland. Elders in het nummer wordt onze bankier Duisenberg beschreven als « een pummelachtige Nederlandse nul », maar dit terzijde. Het artikel van Sutherland heeft de kop « Who owns John Sutherland? ». Niet hijzelf, dat is duidelijk.

Voor de strijd om de exclusieve rechten om alles te kopiëren zijn de grote instellingen tot de tanden gewapend. Op het genetisch materiaal van mens, dier en plant zijn patenten aangevraagd. Gewone woorden, smaken en zelfs kleuren zijn het exclusief eigendom van bedrijven geworden. Grote uitgeverijen voeren het auteursrecht hoog in het vaandel en doen tegelijk alles om de auteurs zelf van dit recht zoveel mogelijk uit te sluiten. Sutherland noemt de Guardian als de Britse krant die de agressieve manieren van de Amerikaanse uitgeverijen het meest navolgt. Iedere freelance medewerker moet daar een papier tekenen waarin hij alle rechten op wat hij ooit in de Guardian geschreven heeft of nog zal schrijven, tot in de eeuwigheid aan de krant afstaat. Voor een individuele auteur valt hier niet tegen te vechten.

De Nederlandse kranten zijn hierbij vergeleken nog vrij netjes en zo geschiedde het rond de kerstdagen dat de freelance medewerkers van de BV NRC Handelsblad niet een dictaat maar een voorstel kregen om voor alle artikelen die zij ooit in de krant geschreven hebben of nog zullen schrijven, de rechten voor cd-rom, internet, kabelkrant, elektronische knipseldienst, readers, syllabi en alles wat in de toekomst nog bedacht kan worden, af te staan tegen een vergoeding die in het voorstel weliswaar « symbolisch » werd genoemd, maar toch begroet moest worden als een teken dat de uitgeverij de wettelijke plicht om voor deze rechten te betalen, wenste te erkennen.

Ik ging naar de supermarkt, laadde mijn wagen boordevol en betaalde bij de kassa met het kleinste muntje uit mijn portemonnee. « Hartelijk dank », zei het meisje aan de kassa. « Het is weliswaar een symbolisch bedrag dat u mij geeft, maar u erkent hiermee uw wettelijke plicht om voor onze producten te betalen en dat waarderen wij erg. » Nee, zo ging het niet.

 « Terug